Gisteren hebben we Pest gedaan. Vandaag trekken we naar de andere helft van de stad: Buda. Om daar te geraken nemen we niet zomaar een brug. Neen, wij pakken de Széchenyi-kettingbrug. De verbinding die Buda en Pest bij elkaar bracht en één van de bekendste symbolen van Budapest.
Deze oeververbinding werd in 1849 geopend en was de eerste permanente overkapping van de Donau. Tot dan mocht je niet te veel haast hebben als je van de ene naar de andere kant wilde. De brug werd genoemd naar graaf István Széchenyi, de man die een belangrijke rol speelde in de ontwikkeling van het moderne Hongarije.
Aan beide uiteinden staan de beroemde stenen leeuwen. Volgens een hardnekkige legende zou de beeldhouwer zelfmoord hebben gepleegd nadat iemand had ontdekt dat de leeuwen geen tong hadden. Spoiler alert: de man heeft geen zelfmoord gepleegd. En de leeuwen hebben wél een tong. Alleen zie je die vanaf de straat nauwelijks. Een goed verhaal mag natuurlijk nooit door de feiten worden verpest.
Het Visserbastion
Aan de overkant begint de klim, richting de Burchtheuvel. En daar ligt het Visserbastion, één van de meest fotogenieke plekken van Budapest. Het bastion zoals we het vandaag kennen, dateert uit het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw. Het werd ontworpen door Frigyes Schulek en kreeg zijn sprookjesachtige uitstraling door zijn torens, bogen en terrassen. De naam verwijst naar de vissersgilde die in de middeleeuwen verantwoordelijk zou zijn geweest voor de verdediging van dit deel van de stadsmuren. Of wij daar vandaag nog iets van merken? Niet echt. Vandaag verdedigen vooral toeristen het bastion. Tegen elkaar. Voor het beste plekje op de foto. Wij doen daar vrolijk aan mee. Vanaf de terrassen krijg je een fantastisch zicht op de Donau en het parlement. Het soort uitzicht waarbij je even vergeet dat je ondertussen al een kleine expeditie achter de rug hebt.
De Matthiaskerk
Vlak naast het bastion staat de Matthiaskerk, officieel de Onze-Lieve-Vrouwkerk van Boeda. De geschiedenis van dit gebouw gaat terug tot de middeleeuwen. Ze werd verschillende keren uitgebreid, verbouwd en beschadigd. Tijdens de Ottomaanse overheersing werd deze kerk als moskee gebruikt. Wat je vandaag ziet, is deels het resultaat van een grote restauratie uit de 19de eeuw. Wat vooral opvalt, is het dak. Dat is bedekt met kleurrijke Zsolnay-tegels. Het ziet er spectaculair uit, als een Lego-dak, maar dan voor gevorderden. Binnen wordt het nog indrukwekkender. De kerk is nauw verbonden met koning Matthias Corvinus, naar wie ze haar populaire naam kreeg. Budapest heeft dus niet alleen een parlement met 691 kamers. Het heeft ook kerken die veel geschiedenis hebben meegemaakt.
Op jacht
We zijn niet alleen naar Buda gekomen voor kerken en panorama's. Wij zijn op zoek naar Kolodko. Mihály Kolodko is een Hongaars-Oekraïense kunstenaar die bekend werd door zijn kleine bronzen beeldjes die op onverwachte plaatsen in de stad opduiken. Geen metershoge standbeelden. Geen gigantische fonteinen. Kleine beeldjes. Soms nauwelijks groter dan je hand. En precies daardoor zijn ze zo leuk. Het is een soort stedelijke schattenjacht: je loopt rond, kijkt naar de gebouwen en monumenten en ondertussen moet je vooral ook naar de grond kijken.
Eén van de bekendste Kolodko-beeldjes was Dracula, een kleine bronzen figuur bij de Burchtheuvel. Was. Want Dracula is inmiddels spoorloos verdwenen. Gestolen. Of het beeld ooit terugkomt, is een ander verhaal. Maar het past eigenlijk wel bij Dracula: die kerel verdwijnt altijd wanneer je hem denkt gevonden te hebben.
Een andere bekende Kolodko is Főkukac, letterlijk zoiets als 'hoofdworm' of 'grote kleine worm'. Főkukac is geïnspireerd op een personage uit een populaire Hongaarse animatieserie. Een worm. Een kleine bronzen worm. En toch wordt het gezocht alsof het een verloren Fabergé-ei is. Maar dat is net de charme van Kolodko. Je moet even zoeken of je vindt iets totaal onverwachts of plots staat daar een stukje Hongaarse cultuur onder je neus.
Ook Dirty Fred, de kapitein, behoort tot Kolodko's kleine stadsbewoners. Dit beeldje verwijst naar Rejtő Jenő, een Hongaarse schrijver die bekendstaat om zijn avonturen- en humoristische romans. Dirty Fred is één van de personages uit zijn werk. Een klein figuurtje, maar opnieuw met een verhaal erachter. En dat maakt de Kolodko-jacht zoveel leuker dan gewoon een lijst monumenten afvinken.
Onze speurtocht brengt ons verder bij Ferenc Liszt, de beroemde Hongaarse componist en pianist. Liszt was in de 19de eeuw een internationale superster avant la lettre. Een soort rockster van de klassieke muziek, inclusief massa's bewonderaars. Alleen zonder Marshall-versterker.
En dan is er nog de Little Princess. Die kleine dame zit niet op Buda, maar aan de Pest-kant bij de Donau. De dochter van Mihály Kolodko droeg als kind graag een kroon en verkleedde zich als prinses. Zij was zijn inspiratiebron voor dit beeldje. De echte Little Princess staat dus gewoon te zitten en naar de wereld te kijken. En duizenden toeristen kijken terug.
Onze 48 uren zijn voorbij. Twee dagen. Twee stadshelften. Een parlement, een kettingbrug, een bastion, een kerk, schoenen aan de Donau, historische pleinen, vinyl, rock-'n-roll... En ergens tussendoor een paar bronzen wormen, kapiteins, prinsesjes en een verdwenen Dracula. Budapest blijkt een stad te zijn die je niet alleen moet bekijken. Je moet er ook op zoek. Naar de geschiedenis achter de gebouwen. Naar de verhalen achter de standbeelden. En vooral naar die kleine bronzen verrassingen die Kolodko ergens in de stad heeft achtergelaten. Want terwijl de meeste toeristen naar de grote bezienswaardigheden kijken, kijken wij voortaan ook naar de grond. Je weet maar nooit. Misschien staat er wel een klein mannetje te wachten. En als het toevallig Dracula is... dan hopen we vooral dat hij deze keer blijft staan.
Reactie plaatsen
Reacties