"Yeehaw!"
Dit klinkt ergens over de piste terwijl een amazone haar paard nog een laatste aai geeft. Even later schiet het duo als een raket uit de startblokken. De eerste ton komt eraan. Scherp insturen. Net niet raken. Vol gas naar de volgende.
Welkom op de Gipsy Horses Ranch in Westerlo.
Nee, je bent niet per ongeluk in Texas beland. Gewoon in de Kempen.
Een paar keer per jaar verandert deze ranch in het decor van een westernwedstrijd. Ruiters uit heel België – en regelmatig ook uit Nederland en Duitsland – verzamelen er voor een dag vol barrel racing, pole bending en andere disciplines uit de westernsport. Wie aan het einde van het seizoen de meeste punten verzamelt heeft, gaat niet alleen met de eer lopen, maar ook met een blinkende kampioensbuckle. In cowboymiddens is dat ongeveer wat de gele trui is voor een wielrenner.
Ik geef toe: toen ik voor het eerst van "barrel racing" hoorde, dacht ik aan een wedstrijd biervaten rollen. Dat blijkt dus iets helemaal anders te zijn.
Drie tonnen. Eén paard. Eén ruiter. En snelheid.
Het lijkt simpel. Maar hold your horses. Elk bochtje wordt op de millimeter aangesneden. Eén ton omver en er volgt onverbiddelijk straftijd. Tienden van seconden maken het verschil tussen winst en ergens in de middenmoot verdwijnen.
Nog spectaculairder vind ik pole bending.
Zes palen op een rij. Daar zigzagt een paard op topsnelheid tussendoor alsof de wetten van de fysica tijdelijk zijn opgeschort. Je houdt automatisch je adem in. Niet omdat het gevaarlijk oogt, maar omdat je nauwelijks begrijpt hoe paard en ruiter elkaar zo feilloos aanvoelen.
En dan is er nog de rodeosfeer. Denk niet meteen aan woeste stieren en rondvliegende cowboyhoeden. Hier draait het vooral om techniek, snelheid, vertrouwen en vooral veel samenwerking tussen mens en paard. Dat maakt het misschien minder spectaculair voor Hollywood, maar des te indrukwekkender als je er met je neus bovenop staat.
Wat me minstens even hard boeit als de wedstrijden zelf, is de geschiedenis die hier een beetje tussen de houten omheiningen hangt.
De Kempen hebben namelijk al decennialang een zwak voor het Wilde Westen.
Op amper twintig minuten rijden van de ranch ligt Texas City in Tremelo, een cowboydorp dat ontstond uit het westernpaviljoen van Expo 58. In mei 1967 liep daar plots ook The Who rond. Roger Daltrey, Pete Townshend, John Entwistle en Keith Moon namen er een promotiefilm op waarvan vandaag nauwelijks nog iemand weet voor welke single hij eigenlijk bedoeld was.
Nog iets verder ligt Bobbejaanland. Vandaag denken we vooral aan achtbanen, maar toen Bobbejaan Schoepen zijn park opende, draaide het vooral rond westernshows, paarden, saloons en cowboymuziek. En in Wuustwezel groeide El Paso uit tot één van de bekendste cowboydorpen van Vlaanderen.
Het maakt van de Antwerpse Kempen het wilde westen van Vlaanderen. Of, logischer, het wilde noorden.
Misschien is dat wel de rode draad.
De westerncultuur is hier nooit helemaal verdwenen. Ze veranderde gewoon van vorm.
Waar vroeger complete cowboydorpen verrezen, ontmoeten liefhebbers elkaar vandaag op plaatsen zoals de Gipsy Horses Ranch. Niet om een filmdecor in stand te houden, maar omdat ze oprecht gepassioneerd zijn door westernrijden, paarden en alles wat daarbij hoort.
Dat voel je.
Niemand lijkt zich hier druk te maken over modetrends. Een paard moet goed luisteren. Een zadel moet goed liggen. En een cowboyhoed dient in de eerste plaats om de zon uit je ogen te houden.
Zo eenvoudig kan het leven soms zijn.
Wanneer de laatste proef gereden is, dwarrelt het zand en stof langzaam weer neer. De paarden verdwijnen richting stal of trailer. De cowboyhoeden gaan af. Er wordt nog wat nagepraat aan de saloon.
En ergens besef ik dat je soms helemaal niet naar Amerika hoeft om een stukje Wild West te vinden.
Soms volstaat een ritje naar Westerlo, naar het wilde noorden.
Yeehaw!
Reactie plaatsen
Reacties